|
| |
Bekende personen
-
Professor Edgar Blancquaert (Opdorp,
20 juni 1894 -- Mariakerke, 29 september 1964) Ererector en oud-minister.
Edgar werd geboren in 1894 (20 juni) te Opdorp,
een klein dorp van Oost-Vlaanderen, aan de grens van Brabant en Antwerpen.
Zijn Ouders, die inwijkelingen waren, uit Berlare, waren er respectievelijk
hulponderwijzer en hulponderwijzeres, en brachten het wegens hun politieke
gezindheid nooit verder. Na zijn lager onderwijs in de gemeenteschool te Opdorp
te hebben genoten, trok hij naar Mechelen om er van 1905 tot 1912 de lessen te
volgen aan het Koninklijk Atheneum, eerst in de moderne humaniora en, van de
derde af, in de Grieks-Latijnse.
In 1912 verliet hij de Grieks-Latijnse retorica van het Mechelse Atheneum als
primus, wat hem echter niet ontsloeg van een examen voor de Centrale
Examencommissie om filologie aan de universiteit te studeren, omdat hij geen
volledige oude humaniora had gevolgd. In oktober van hetzelfde jaar liet hij
zich inschrijven aan de Gentse universiteit om er de colleges in de Germaanse
filologie te volgen.
In juli 1914 werd hij kandidaat in de Letteren en Wijsbegeerte.Enkele dagen
later brak de oorlog uit. Blancquaert meldde zich onmiddellijk als
oorlogsvrijwilliger aan, werd eerst geweigerd, maar later dan toch aanvaard. In
maart 1915 trekt hij als sergeant naar het front, in september is hij adjudant
en een maand later onderluitenant. In april 1916 vertrekt hij naar onze kolonie
om daar oorlog te voeren en twee jaar nadien keert hij om gezondheidsredenen,
als eerste luitenant, naar Europa terug. Van zijn ziekteverlof maakt hij gebruik
om gedurende enkele weken in Londen aan fonetiek te doen onder de leiding van
Daniel Jones en Harold Palmer. In
september 1918, juist voor het grote offensief, legt hij in Le Havre zijn eerste
doctoraat af.
Na februari 1919 zet hij de studie voort, ditmaal aan de Vrije Universiteit
te Brussel. Hij promoveert er nog hetzelfde jaar in november, met een
proefschrift over "Het Opdorpsch Dialect". In 1920 wordt hij leraar
aan het Koninklijk Atheneum te Gent. In 1921 kent de Universitaire Stichting hem
een beurs toe om gedurende het academiejaar 1921-1922 aan de Sorbonne de
colleges te volgen van Dauzat in de algemene taalkunde, van Gilliéron in de dialectgeografie
en van Poirot in de experimentele fonetica. Het is daar dat hij
het plan opvatte om voor zijn geboortestreek taalkundig materiaal ter plaatse op
te tekenen, zoals J. Gilliéron dat, in samenwerking met E. Edmont, voor het
Franse taalgebied had gedaan (Atlas linguistique de la France).
In 1927, bij het emeritaat van professor Vercoullie, werden hem de
filologische oefeningen over het Nederlands in de kandidatuur en de historische
spraakkunst van diezelfde taal in het doctoraat toevertrouwd. Hij doceerde ook
gedurende enkele jaren de Waalse dialectologie en de methoden van de moderne dialectstudie
aan de romanisten, alsook de vergelijkende grammatica van de Indo-europese talen (Germaans gedeelte) en Gotisch aan de germanisten.
 Na zijn rectorschap (1944-1947) werd hij in 1952 beheerderinspecteur
van de Gentse universiteit en als dit ambt in 1953 verdwijnt, regeringscommissaris
in de nieuw opgerichte raad van beheer. Sinds 1938 was hij lid van de Vlaamse
Cultuurraad en van februari tot april 1939 was hij minister van openbaar
onderwijs in het eerste kabinet Pierlot.
Laat ik er toch nog op wijzen dat hij in 1946 tot lid werd benoemd van de
Technische Commissie van het Nederlands-Belgisch cultureel akkoord en dat hij
sinds 1951 eveneens lid was van de Commissie van Bijstand van het Woordenboek
der Nederlandse Taal. Hij was ook lid van de Nederlands-Belgische Spellingcommissie (1945) en van de Woordenlijstcommissie (1946).
Ik wil er ook nog aan herinneren dat hij in Nederland naast het lidmaatschap
van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1927), ook dat bezat van het
Utrechts Provinciaal Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen (1952), van de
Fryske Akademy (1954) en in 1955 buitenlands lid werd van de Nederlandse Academie
van Wetenschappen, Afd. Letteren.
Dat zou kunnen volstaan om aan te tonen dat ook in Nederland Blancquaert als
taalkundige hoog aangeschreven stond.
Ik besluit met het aanhalen van de twee belangrijkste onder Blancquaerts
verwezenlijkingen: op zuiver wetenschappelijk gebied, zijn Reeks Nederlandse Dialectatlassen, waarvan hij, jammer genoeg, de voltooiing niet meer heeft
beleefd; op meer praktisch-kultureel gebied, zijn Praktische Uitspraakleer
van de Nederlandse Taal,die gedurende vijfendertig jaar in Vlaanderen voor
de uitspraak van het Nederlands een baken is geweest.
De Opdorpse onderwijzerszoon, die door wilskracht en volharding een zo
schitterende wetenschappelijke en sociale loopbaan had gekend, was eenvoudig en
bescheiden gebleven, eerlijk, rechtvaardig en goed. Hij is met een gerust
geweten de dood ingegaan.
WILLEM PÉE (Afkomstig uit:
Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1967-1968,
pag. 128-137)
Enkele opmerkelijke
GESCHRIFTEN
- 1925-64 Leiding van de Reeks Nederlandse Dialektatlassen
(Antwerpen, De Sikkel.
- 1925 E. Blancquaert: Dialect-atlas van Klein-Brabant I (22 blz.,
239 bladen); II (150 kaarten); 2e uitg. 1950 (met aanvullingen van Fr.
Vanacker).
- 1930 E. Blancquaert en H. Vangassen: Dialect-atlas van
Zuid-Oost-Vlaanderen (xxv-520 blz.); II (150 kaarten).
- 1943-64 Practische Uitspraakleer van de Nederlandsche taal,
Antwerpen, De Sikkel 19341, 19422, 19503, 19534, 19575, 19626, 19647.
- 1935 E. Blancquaert: Dialect-atlas van Noord-Oost-Vlaanderen en
Zeeuwsch-Vlaanderen I (xxvi-284 blz.), II (150 kaarten).
- 1939 E. Blancquaert en W. Pée: Proceedings of the Third International
Congress of Phonetic Sciences, Ghent 1938, XXIII + 536 blz.
- 1940-41 E. Blancquaert en P. J. Meertens: Dialect-atlas van de
Zeeuwsche Eilanden I (xlii-106 blz.); II (150 kaarten).
- 1963 E. Blancquaert (met J. C. Claessens, W. Goffin en A. Stevens): Dialektatlas
van Belgisch-Limburg en Zuid Nederlands-Limburg I (LXVII + 680 blz.); II
(150 kaarten).1951 -- -- -- (met Mevr. C. Tavernier) Systèmes
phonologiques et mots d'emprunt franco-néerlandais, Melanges de
linguistique offerts à Albert Dauzat. Paris, blz. 41-46. Opdorpiana 1.
Vergelijkingen, Album Dr. Jan Lindemans, Brussel, blz. 161-168.
Opdorpiana II. Invoeging van d in zinsverband, Taal en Tongval III, blz.
13-19. Occlusief, explosief, etc., Album Dr. L. Kaiser, Amsterdam,
blz. 17-25.
- 1953 Opdorpiana III. Opdorps en Kiliaans, in : Feestnr. C.
G. N. de Vooys van de N.T., blz. 21-29.
- 1959 -- Opdorpiana V. Woordenschat van het Boogschieten,
Taal en Tongval XI, blz. 109-116, 1 pl. Opdorpiana VI. Opdorps en
Latijn, Spieghel Historiael, I, 4, blz. 65-70.
- 1961 Opdorpiana VII. Kat en Hond, Taal en Tongval XIII, 2-3,
blz. 56-62.
-
Alfons Moortgat(Opdorp 1881-1962)

Geboren te Opdorp op 8-9-1881. Volgde Grieks-Latijnse humaniora aan het
O.-L.Vrouwcollege te Tienen, waar hij bij zijn oom Frans Moortgat verbleef.
Hij
werd voorzitter van de studentenbond "Hagelands Weergalm en publiceerde
zijn eerste gedichtenbundel "Uit woud en weide" in 1898. Hij volgde
het lemmensinstituut van Mechelen waar hij o.m. les kreeg van Edgard Tinel.
In
1903 werd hij opgenomen in de "Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal-,
Letterkunde en Geschiedenis". Er verschenen talrijke bijdragen van hem in
verschillende literaire tijdschriften.
Alfons Moortgat is de componist die in
ons land het meest gedaan heeft voor de meerstemmige kerkmuziek. Hij componeerde
talrijke liederen, motetten, toneel- en orkestwerken. Voor zijn mede-ijveren
voor de heropleving van de echte kerkkunst kende paus Pius X hem in 1909 het
ereteken "Pro Ecclesia et Pontifice" toe.
De Koninklijke Vlaamsche
Academie voor Taal- en Letterkunde bekroonde hem met goud voor zijn omvangrijk
wetenschappelijk werk "Germaninsmen in het Nederlands". Zijn woning
groeide snel uit tot een ontmoetingsplaats van vooraaanstaande kunstenaars uit
die periode. Stijn Streuvels, Hugo Verriest,
Valeruis De Saedeleer, Ernest Claes,
Gustaaf Van de Woestijne. Zo schreef hij op 2-4-1933 een gedicht
ter gelegenheid van de plechtige communie van Isa Lateur(de dochter van Stijn
streuvels) Hij kreeg sympathie betuigingen van figuren als Kardinaal Cardijn,
Jan Boon (BRT), Kardinaal Mercier, Cyriel Verschaeve en Prof E.
Blancquaert.
In 1923 werd hij bekroond tijdens een internationale wedstrijd voor
kerkmuziek uitgeschreven door "Procure Générale de musique
religieuse" in Frankrijk. In 1953 ontving hij nog het Kruis van Ridder in
de Leopold II-orde. En in 1956 ontving hij bij zijn 75ste verjaardag het
pauselijk ereteken van Sint-Sylvester. Hij overleed op 4-1-1962.
Bron tijdschrift "Ter Palen"
-
Baron Paul d'Udekem d'Acoz (1865-1952)

Baron Paul d'Udekem d'Acoz is de broer van de overgrootvader van onze
huidige prinses Mathilde d'Udekem d'Acoz. Hij trouwde op 12-4-1890 met
Madeleine de Nieulant en werd daardoor kasteelheer te Opdorp.
In 1824 kwam het
kasteel te Opdorp immers in het bezit van burggraaf Desiré Hubert Joannes de
Nieulant en werd zo eigendom van de familie "de Nieulant".
|